roofdieren

Alweer een otter gespot

Nadat jarenlang zonder succes naar de otter in Vlaanderen werd gespeurd, volgen de nieuwe waarnemingen van otter elkaar op. Na de vondst van een otter in Willebroek begin april van dit jaar, ondekte dezelfde onderzoeker ditmaal in het noorden van Limburg opnieuw een otter. Het is weinig waarschijnlijk dat het om hetzelfde dier gaat: de vindplaatsen liggen op meer dan 100 km afstand van elkaar en bevinden zich in een ander riviersysteem (Scheldebekken en Maasbekken).

Het dier werd wederom gefilmd door middel van een voor bevers geplaatste cameraval. De twee nieuwe opnames dateren respectievelijk van 20 april en 9 mei 2012 en gebeurden in het kader van een doctoraatstudie van Kristijn Swinnen aan de Universiteit van Antwerpen. Inmiddels kon Kristijn al een derde opname uit hetzelfde gebied aan het lijstje toevoegen. Uit de opnames valt niet af te leiden of het om hetzelfde dier gaat ofwel om verschillende individuen.


De plek waar de otter werd gefilmd is het Smeetshof - een uitgestrekt en moeilijk toegankelijk moerasgebied van 187 hectare in Bocholt. Het maakt, samen met de aangrenzende gebieden De Luysen – Mariahof, Grootbroek en Stramprooierbroek, deel uit van het grensoverschrijdend natuurgebied Grenspark Kempen-Broek. Natuurpunt heeft er een project voor grootschalig natuurherstel uitgevoerd. Er werd opnieuw ruimte gegeven aan het moeras en er werden poelen aangelegd. Het gebied vormt een ideaal biotoop voor de otter. Er zijn onverstoorde oevers, uitgestrekte moerasbossen en visrijke vijvers. De otter kan er zich veilig verplaatsen over grote afstanden, heeft er veilige rustplaatsen en vindt er voldoende voedsel. Tot begin de jaren 1980 waren er nog regelmatig meldingen van otters in deze regio. Samen met de Maasvallei stond de streek bekend als één van de laatste leefgebieden van otter in Vlaanderen.

 Bekijk de beide filmpjes: video 1 - video 2

De otter is terug

In 2010 stelde de Zoogdierenwerkgroep nog de dringende vraag of er nog otters in Vlaanderen voorkwamen en loofde daarvoor zelfs een premie uit. Ze kwam algauw tot de conclusie dat de otter in Vlaanderen allicht uitgestorven was. Daarom was er verwondering alom toen in de Rupelstreek alsnog een otter boven water kwam. Het dier liet zich evenwel niet zomaar zien.

De waarneming van een otter in een moerasgebied aan de Rupel in de omgeving van Mechelen was een toevalstreffer en een mooie "bijvangst" van een lopend beveronderzoek. De onderzoeker Kristijn Swinnen van de Universiteit Antwerpen voert momenteel een studie naar de beverpopulatie in Vlaanderen. Hij plaatst daarvoor op verschillende plaatsen camera's die de activiteiten van de bevers volgen. Op één van de vele opnames toont zich plotseling ook een otter. De otter is al sedert de jaren 1970 een uiterst zeldzame verschijning en al meermaals werd gedacht dat het dier in België uitgestorven was. Recent verspreidingsonderzoek in Wallonië en een ruime bevraging in Vlaanderen leverden immers geen sporen van otters op. Reden genoeg om het dier als uitgestorven te beschouwen, maar niets blijkt minder waar.

Het recent opduiken van een otter is bemoedigend maar geen reden om bij de pakken te blijven zitten. Voorlopig is onbekend of het dier een vaste stek in de Rupelstreek heeft gevonden of dat het veeleer om een toevallige passant gaat die op zoek is naar een gunstig leefgebied. Het geeft wel aan dat de tot nog toe geleverde inspanning om het waterhabitat te herstellen, vruchten afwerpt. De otter kijkt nog tegen veel problemen aan. Ondanks een verbeterde waterkwaliteit blijft de vervuiling van het waterslib doorwerken: onder moeilijke omstandigheden is er voedseltekort en persistente gifstoffen zorgen voor voortplantingsstoornis en sterfte bij otters. Daarnaast staat de otter voor talrijke barrières die hem rechtstreeks met de dood bedreigen. Om geschikte leefgebieden te bereiken en te doorkruisen moet een otter talrijke - drukke en minder drukke - wegen oversteken met een hoge kans op aanrijding. Ook ontbreekt het nog steeds aan grote, aaneengesloten waterrijke leefgebieden.

Omwille van voormelde problemen pleit de Zoogdierenwerkgroep voor een verdere kwalitatieve verbetering en ruimtelijke vrijwaring van potentiële otterleefgebieden. Op 27 mei staat de otter, samen met tal van andere toppredatoren, in de schijnwerper op het evenement 'Wild (in) Vlaanderen'. Dit vraagt bijzondere aandacht voor grote eenheden wilde natuur die met elkaar verbonden worden door veilige, brede en goed uitgebouwde natuurcorridors. Eén van de elementen om dit te realiseren, zijn de zogenaamde "microreservaten", die verspreid langsheen onze waterlopen moeten worden aangelegd. Het zijn kleine maar ongestoorde en dekkingrijke plekjes waar otters onopgemerkt, voor korte of lange tijd, kunnen vertoeven en waarlangs ze zich veilig en ongedwongen tussen de grotere natuurgebieden kunnen verplaatsen. Ze zijn het bindmiddel tussen de natuurkernen en vormen de mazen van het ecologisch netwerk.

Meer informatie over de otter vind je terug op onze otter-actiewebsite. Een uitgebreid bericht vind je op Natuurbericht.be.

Bekijk ook onze folder 'Natte pootjes - Zoogdieren in en om het water' als je meer wil weten over de otter.

Wat is er aan de hand met de bunzing ?

Bunzings komen van oudsher over geheel Vlaanderen voor en zijn nog steeds relatief algemeen. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) signaleert echter dat de bunzing het laatste decennium een forse achteruitgang kent.

De achteruitgang wordt bevestigd door het aantal ingezamelde bunzings via het Marternetwerk (zie grafiek). Hier moet wel rekening worden gehouden met een afzwakkende inzamelinspanning na de aanvangsjaren en de boodschap in 2006 om niet-intacte bunzings tijdelijk als minder prioritair voor inzameling te beschouwen. Dit was toen uit overmacht omdat het INBO de grote hoeveelheid ingezamelde bunzings van de voorgaande jaren niet tijdig kon verwerken onder meer door een tijdelijk personeelstekort. De grote terugval in het aantal dateert evenwel reeds van vóór deze boodschap. De voorbije twee jaar werd, naar aanleiding van de alarmerende signalen (zowel op lokaal als op Europees niveau), gevraagd aan de medewerkers van het Marternetwerk om opnieuw alle bunzings (in welke toestand dan ook) in te zamelen. Momenteel stelt men vast dat de aantallen opnieuw schommelen rond het niveau van 2006.

Grafiek evolutie slachtoffers steenmarter en bunzing

Het is opvallend dat de terugval in de ingezamelde dieren na het aanvangsjaar helemaal niet opgaat voor de steenmarter. Het aantal ingezamelde bunzings was in 1998 een zevenvoud van het aantal ingezamelde steenmarters. Tegenwoordig worden bijna dubbel zoveel steenmarters dan bunzings ingezameld. Het aantal verkeersslachtoffers van beide soorten (dus inclusief de niet-ingezamelde) vertoont over de jaren heen een analoog verloop als de ingezamelde verkeersslachtoffers.

Alles wijst er op dat de bunzing in onze streken wel degelijk sterk achteruitgegaan is. De oorzaken van deze achteruitgang zijn niet goed gekend; mogelijk zijn de voortschrijdende schaalvergroting in de landbouw en de hiermee gepaard gaande habitatfragmentatie, het dichter wordend wegennet en het toenemend verkeer, een verhoogde opname en opstapeling van gifstoffen in het milieu en de achteruitgang van de konijnenstand. Waarschijnlijk is het een combinatie van factoren en werkt de ene factor versterkend ten opzichte van de andere, waarbij op een bepaald moment een kritische drempel wordt bereikt en overschreden.

Soms wordt gesuggereerd dat de dalende bunzingstand een rechtstreeks gevolg is van de opkomst van de steenmarter. Hoewel enige invloed niet uit te sluiten is, lijkt dit weinig waarschijnlijk gezien het verschil in terreingebruik en de slechts gedeeltelijk overlappende voedselkeuze van beide soorten. Dit verschil wordt in Vlaanderen bevestigd door analyse van maaginhouden. Steenmarters eten - in tegenstelling tot bunzings - behoorlijk veel plantaardige kost (vooral allerlei fruit), keukenafval alsook allerlei ongewervelden zoals rupsen doch bijna nooit amfibieën. Deze laatste vormen precies een zeer belangrijk aandeel in het menu van de bunzing. Enkel de kleine zoogdieren en vogels zijn gemeenschappelijk in de voedselkeuze. In Nederland heeft men recent aan de hand van zenderonderzoek vastgesteld dat beide soorten elkaar niet uitsluiten.

Ook de herkolonisatie van de vos, die een decennium eerder op gang is gekomen dan deze van de steenmarter, zou in principe een rol kunnen spelen in de achteruitgang van de bunzing, hoewel het vreemd is dat bunzing en steenmarter daarbij een tegengestelde trend vertonen.

De onderzoeksgroep genetische diversiteit op het INBO probeert zicht te krijgen op de genetische diversiteit van een aantal marterachtigen (bunzing, steenmarter en das). De populaties van steenmarter en das blijken alvast weinig of geen last te hebben van genetische isolatie en zijn genetisch gezond. Bij bunzing is er weliswaar nog geen sprake van inteelt, maar bunzings uit West-Vlaanderen vertonen wel een lagere genetische diversiteit dan bunzings uit Limburg.

Op toxicologisch vlak worden in samenwerking met de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Gent pogingen ondernomen om meer inzicht te krijgen in de invloed van gifstoffen, waaronder residuen van rodenticiden (rattenvergif), die aanwezig zijn in weefsels van bunzings.

Een ander potentieel probleem voor de bunzing als soort is hybridisatie met fretten.

Het is duidelijk dat de bunzingproblematiek een ingewikkeld kluwen is. Langetermijnonderzoek op verkeersslachtoffers is onmisbaar voor het ontrafelen van dit kluwen. Dode bunzings worden daarom met verhoogde aandacht via het Marternetwerk ingezameld.

X