verspreiding

Nieuwe vleermuissoort voor België

Het gebeurt niet elk jaar dat er in ons land een nieuwe zoogdiersoort wordt ontdekt. De waarneming van een Grote rosse vleermuis aan de Belgische kust is dan ook groot nieuws.

In het voorjaar deed de Vleermuizenwerkgroep van Natuurpunt onderzoek naar doortrekkende vleermuizen langsheen de Belgische Kust. Daarvoor werd op een flatgebouw op de zeedijk in Heist een detector opgesteld. Die registreert automatisch alle ultrasone geluiden van langs vliegende vleermuizen. Bij controle van de data bleek dat vooral Ruige dwergvleermuizen, Gewone dwergvleermuizen evenals enkele Rosse vleermuizen werden gedetecteerd. Opmerkelijk was ook dat minstens twee keer het geluid van een Tweekleurige vleermuis werd opgepikt. Niet ongewoon maar deze soort is tot nog toe amper een dertigtal keer in ons land gemeld, meestal langsheen de kust.
Voor de echte verrassing zorgde een Grote rosse vleermuis (Nyctalus lasiopterus). Deze voor België nieuwe soort liet zich horen in twee korte opnames met geluiden van 20 april 2012. Of de vleermuis een dwaalgast was, dan wel een individu waarvan de kustlijn op zijn trekroute lag of een exemplaar dat zich in de buurt ophield, blijft momenteel onduidelijk. Mogelijk kan verder onderzoek hierop een antwoord geven.
De Grote rosse vleermuis staat bekend als één van de zeldzaamste Europese vleermuissoorten. Met een voor onze contreien indrukwekkende vleugelspanwijdte tot 45 cm en een gewicht van bijna 80 gram is het de grootste Europese vleermuissoort. Over de verspreiding is weinig bekend. Het kernareaal strekt zich uit van de oostelijke Balkan over Oekraïne en Wit-Rusland tot een eind in Rusland. Voor de rest van Europa stamt het gros van de waarnemingen uit Zuid-Europa (Spanje, Italië, Frankrijk) en zijn er verspreide meldingen uit Polen, Duitsland en Zwitserland. Uit Nederland dient zich slechts één waarneming (1993) aan en de dichtstbijzijnde melding stamt uit de regio van Parijs (2009).
Het dieet van de Grote rosse vleermuis is erg bijzonder: naast grote kevers, libellen en nachtvlinders eet deze soort ook kleine zangvogeltjes. Die worden in de vlucht verschalkt; vooral tijdens de trekperiode. Daarmee is de Grote rosse vleermuis - voor zover bekend - de enige vleermuissoort ter wereld die kleine zangvogeltjes uit de lucht hapt.


Met de ontdekking komt het aantal vleermuissoorten voor België op 22. De laatste nieuwe soortvondst dateert van 29 mei 2008, toen voor het eerst Nimfvleermuizen (Myotis alcathoe) werden waargenomen in de provincie Namen. Deze soort werd officieel pas in 2011 aan de Belgische lijst toegevoegd omdat de determinatie van de geluidsopnamen niet van een leien dakje liep. Om hetzelfde scenario te vermijden komt het nieuws van de ontdekking van de Grote rosse vleermuis met twee maanden vertraging. De Vleermuizenwerkgroep wilde eerst absolute zekerheid hebben over de determinatie. Herkenning van vleermuisgeluiden is immers niet eenvoudig; de opname van Heist werd daarom eerst aan meerdere specialisten voorgelegd.


Meer informatie over de Grote rosse vleermuis in Europa
 

Alweer een otter gespot

Nadat jarenlang zonder succes naar de otter in Vlaanderen werd gespeurd, volgen de nieuwe waarnemingen van otter elkaar op. Na de vondst van een otter in Willebroek begin april van dit jaar, ondekte dezelfde onderzoeker ditmaal in het noorden van Limburg opnieuw een otter. Het is weinig waarschijnlijk dat het om hetzelfde dier gaat: de vindplaatsen liggen op meer dan 100 km afstand van elkaar en bevinden zich in een ander riviersysteem (Scheldebekken en Maasbekken).

Het dier werd wederom gefilmd door middel van een voor bevers geplaatste cameraval. De twee nieuwe opnames dateren respectievelijk van 20 april en 9 mei 2012 en gebeurden in het kader van een doctoraatstudie van Kristijn Swinnen aan de Universiteit van Antwerpen. Inmiddels kon Kristijn al een derde opname uit hetzelfde gebied aan het lijstje toevoegen. Uit de opnames valt niet af te leiden of het om hetzelfde dier gaat ofwel om verschillende individuen.


De plek waar de otter werd gefilmd is het Smeetshof - een uitgestrekt en moeilijk toegankelijk moerasgebied van 187 hectare in Bocholt. Het maakt, samen met de aangrenzende gebieden De Luysen – Mariahof, Grootbroek en Stramprooierbroek, deel uit van het grensoverschrijdend natuurgebied Grenspark Kempen-Broek. Natuurpunt heeft er een project voor grootschalig natuurherstel uitgevoerd. Er werd opnieuw ruimte gegeven aan het moeras en er werden poelen aangelegd. Het gebied vormt een ideaal biotoop voor de otter. Er zijn onverstoorde oevers, uitgestrekte moerasbossen en visrijke vijvers. De otter kan er zich veilig verplaatsen over grote afstanden, heeft er veilige rustplaatsen en vindt er voldoende voedsel. Tot begin de jaren 1980 waren er nog regelmatig meldingen van otters in deze regio. Samen met de Maasvallei stond de streek bekend als één van de laatste leefgebieden van otter in Vlaanderen.

 Bekijk de beide filmpjes: video 1 - video 2

Wat is er aan de hand met de bunzing ?

Bunzings komen van oudsher over geheel Vlaanderen voor en zijn nog steeds relatief algemeen. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) signaleert echter dat de bunzing het laatste decennium een forse achteruitgang kent.

De achteruitgang wordt bevestigd door het aantal ingezamelde bunzings via het Marternetwerk (zie grafiek). Hier moet wel rekening worden gehouden met een afzwakkende inzamelinspanning na de aanvangsjaren en de boodschap in 2006 om niet-intacte bunzings tijdelijk als minder prioritair voor inzameling te beschouwen. Dit was toen uit overmacht omdat het INBO de grote hoeveelheid ingezamelde bunzings van de voorgaande jaren niet tijdig kon verwerken onder meer door een tijdelijk personeelstekort. De grote terugval in het aantal dateert evenwel reeds van vóór deze boodschap. De voorbije twee jaar werd, naar aanleiding van de alarmerende signalen (zowel op lokaal als op Europees niveau), gevraagd aan de medewerkers van het Marternetwerk om opnieuw alle bunzings (in welke toestand dan ook) in te zamelen. Momenteel stelt men vast dat de aantallen opnieuw schommelen rond het niveau van 2006.

Grafiek evolutie slachtoffers steenmarter en bunzing

Het is opvallend dat de terugval in de ingezamelde dieren na het aanvangsjaar helemaal niet opgaat voor de steenmarter. Het aantal ingezamelde bunzings was in 1998 een zevenvoud van het aantal ingezamelde steenmarters. Tegenwoordig worden bijna dubbel zoveel steenmarters dan bunzings ingezameld. Het aantal verkeersslachtoffers van beide soorten (dus inclusief de niet-ingezamelde) vertoont over de jaren heen een analoog verloop als de ingezamelde verkeersslachtoffers.

Alles wijst er op dat de bunzing in onze streken wel degelijk sterk achteruitgegaan is. De oorzaken van deze achteruitgang zijn niet goed gekend; mogelijk zijn de voortschrijdende schaalvergroting in de landbouw en de hiermee gepaard gaande habitatfragmentatie, het dichter wordend wegennet en het toenemend verkeer, een verhoogde opname en opstapeling van gifstoffen in het milieu en de achteruitgang van de konijnenstand. Waarschijnlijk is het een combinatie van factoren en werkt de ene factor versterkend ten opzichte van de andere, waarbij op een bepaald moment een kritische drempel wordt bereikt en overschreden.

Soms wordt gesuggereerd dat de dalende bunzingstand een rechtstreeks gevolg is van de opkomst van de steenmarter. Hoewel enige invloed niet uit te sluiten is, lijkt dit weinig waarschijnlijk gezien het verschil in terreingebruik en de slechts gedeeltelijk overlappende voedselkeuze van beide soorten. Dit verschil wordt in Vlaanderen bevestigd door analyse van maaginhouden. Steenmarters eten - in tegenstelling tot bunzings - behoorlijk veel plantaardige kost (vooral allerlei fruit), keukenafval alsook allerlei ongewervelden zoals rupsen doch bijna nooit amfibieën. Deze laatste vormen precies een zeer belangrijk aandeel in het menu van de bunzing. Enkel de kleine zoogdieren en vogels zijn gemeenschappelijk in de voedselkeuze. In Nederland heeft men recent aan de hand van zenderonderzoek vastgesteld dat beide soorten elkaar niet uitsluiten.

Ook de herkolonisatie van de vos, die een decennium eerder op gang is gekomen dan deze van de steenmarter, zou in principe een rol kunnen spelen in de achteruitgang van de bunzing, hoewel het vreemd is dat bunzing en steenmarter daarbij een tegengestelde trend vertonen.

De onderzoeksgroep genetische diversiteit op het INBO probeert zicht te krijgen op de genetische diversiteit van een aantal marterachtigen (bunzing, steenmarter en das). De populaties van steenmarter en das blijken alvast weinig of geen last te hebben van genetische isolatie en zijn genetisch gezond. Bij bunzing is er weliswaar nog geen sprake van inteelt, maar bunzings uit West-Vlaanderen vertonen wel een lagere genetische diversiteit dan bunzings uit Limburg.

Op toxicologisch vlak worden in samenwerking met de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Gent pogingen ondernomen om meer inzicht te krijgen in de invloed van gifstoffen, waaronder residuen van rodenticiden (rattenvergif), die aanwezig zijn in weefsels van bunzings.

Een ander potentieel probleem voor de bunzing als soort is hybridisatie met fretten.

Het is duidelijk dat de bunzingproblematiek een ingewikkeld kluwen is. Langetermijnonderzoek op verkeersslachtoffers is onmisbaar voor het ontrafelen van dit kluwen. Dode bunzings worden daarom met verhoogde aandacht via het Marternetwerk ingezameld.

De Chinezen komen

Het begon in 1998 met een ontsnapping uit een dierenwinkel in het Nederlandse Weert - vlakbij de grens met Belgisch Limburg. Sedertdien hebben zowel Nederland als België er een eekhoornsoort bij. Althans dat wordt verondersteld. Onderzoek moet duidelijk stellen of een invasie in het verschiet ligt.

Tot nog toe blijft het onduidelijk of onze inheemse rode eekhoorn concurrentie krijgt van zijn Chinese neef de Pallas-eekhoorn of roodbuikeekhoorn. Beiden lijken erg op elkaar: ze zijn ongeveer even groot, wonen in boomholten of bouwen nesten in boomkruinen. Maar er zijn evenveel verschillen: onder meer in kleur en uitzicht, maar nog het meest in levenswijze. De Pallas-eekhoorn komt in aanzienlijk hogere dichtheden voor en concurreert daardoor om voedsel en ruimte.

In de regio van Nederlands Limburg, waar het beestje destijds ontsnapte, wordt al van een plaag gesproken, maar het is lang niet zeker of de uitbreiding echt zo'n vaart loopt. Omdat Weert vlakbij de Belgische grens ligt, wordt gevreesd dat deze nieuwkomer weldra de landsgrens oversteekt. Om dit op te volgen, werden twee jaar geleden in de grensstreek haarvallen geplaatst om de aanwezigheid van deze eekhoorn na te gaan. Dit leverde toen enkel een vraatspoor op. Nabij het Mariahof in Bree werden ook regelmatig dieren gezien. Vooreerst geen reden om bezorgdheid dus. Dit jaar wordt het onderzoek door de Zoogdierenwerkgroep herhaald om te zien of er sindsdien wat veranderd is, maar dat leverde nog geen bevestiging op.

Nochtans blijft waakzaamheid geboden. Niet alleen wordt voor concurrentie met de rode eekhoorn gevreesd; de Pallas-eekhoorn is ook een stevige knager, die zich graag tegoed doet aan boomknoppen en daardoor schade kan toebrengen aan bossen en boomplantages. Ook gaat hij wel eens zijn boekje te buiten door te knagen aan houtconstructies, kabels en andere leidingen. Dit gaf voldoende redenen om over te gaan tot tot de verwijdering van de diertjes in het West-Vlaamse Dadizele, waar in 2005 een tweede populatie werd ontdekt. Voorlopig is onduidelijk of deze operatie is geslaagd. In Limburg wordt de zaak ondertussen nauwlettend opgevolgd.

Wie meent een Pallas-eekhoorn te hebben waargenomen, kan dit laten weten via www.waarnemingen.be of rechtstreeks melden aan goedele.verbeylen@natuurpunt.be. Een goede beschrijving - liefst met foto's - en een exacte locatie zijn noodzakelijk.

Bevernieuws

Begin 2011 is de Universiteit Antwerpen een onderzoek naar de verspreiding en habitatvereisten van de bever in Vlaanderen opgestart. Het doen en laten van de onderzoeker kan in een kwartaalnieuwsbrief worden gevolgd.

De Europese bever is na meer dan een eeuw afwezigheid terug in België. Dit is het gevolg van enkele opeenvolgende herintroducties - voornamelijk in Wallonië. Het universitair onderzoek wil nagaan welke gebieden in Vlaanderen geschikt zijn voor de bever en hoe gemakkelijk deze gebieden kunnen worden gekoloniseerd.  Men wil vooral weten welke de habitatvereisten zijn en welke riviereigenschappen bepalen of de bever er al dan niet dammen gaat bouwen. Tegelijk wordt bekeken op welke plaatsen in Vlaanderen beverdammen economische schade kunnen veroorzaken.
Met genetisch onderzoek wordt nagegaan of er ook Amerikaanse bevers in de huidige beverpopulatie aanwezig zijn. De analyse dient ook inzicht te verschaffen in de oorspronkelijke herkomst en de onderlinge verwantschap van de bevers.

Het verloop van het onderzoek kan in een nieuwsbrief worden gevolgd. Deze verschijnt om de drie tot vier maanden.

Lees hier het eerste nummer van de Bevernieuwsbrief en schrijf je in voor de volgende nummers.

X