| De mol is een nuttig beestje: hij eet heel wat schadelijke insecten en graaft tunnels die voor een betere drainage en verluchting van de grond zorgen. Ondanks dat heeft de mol bij landbouwers en tuinders een slechte reputatie. Plaatselijk zorgen mollen soms voor beperkte schade aan gewassen. Ook mensen die een mooi gazonnetje willen onderhouden, zien mollen liever gaan dan komen. Vaak worden ze nog bestreden met klemmen of gif (strychnine). Gezien de snelle bezetting van verlaten tunnelstelsels door mollen uit de omgeving is het effect van bestrijdingstechnieken op lange termijn echter twijfelachtig.
Mollen graven met hun schopvormige voorpoten een uitgebreid tunnelstelsel. Dit bestaat enerzijds uit oppervlaktegangen, de 'mollenritten'. Deze gangen liggen net onder de oppervlakte in losse grond en worden gemaakt bij de jacht op regenwormen en engerlingen, of tijdens de paartijd.
Daarnaast is er het diepe tunnelstelsel, dat tot 1 m diep kan zitten en tot 230 m lang kan zijn. De aarde uit deze diepe tunnels wordt omhoog geduwd om de zogenaamde molshopen te vormen. Molshopen hebben een opening in het midden, die zich sluit achter de mol wanneer hij zich ondergronds terugtrekt.
In april-mei krijgt het vrouwtje een 4-tal jongen. Een week voor de geboorte bouwt ze hiervoor een nest, meestal door een deel van een bestaande tunnel te vergroten en te bekleden met graskluiten, mos en bladeren. De aardlaag boven het nest moet voldoende dik zijn, zodat de temperatuur in het nest enigszins stabiel blijft. Als de grondwatertafel te hoog is en het nest te dicht bij de oppervlakte ligt, maakt het vrouwtje een grote molshoop boven het nest. Deze molshopen kunnen tot een halve meter hoog zijn en vallen sterk op. Ook meer algemeen geldt dat zowel mannelijke als vrouwelijke mollen in gebieden met hoge grondwaterstand of gevaar voor overstroming hoge molshopen maken om in te schuilen. Dergelijke bouwwerken worden vooral in de late herfst en lente gebruikt.
Een jonge mol is de eerste 3 maand nog niet sterk en ervaren genoeg om zelf tunnels te graven. Hij moet dus op zoek gaan naar onbewoonde tunnels, die echter meestal reeds binnen enkele uren bezet zijn. In deze periode kan je af en toe wel eens een mol bovengronds tegenkomen. Tegen de herfst dienen de jonge mollen een eigen tunnelsysteem te hebben, want bij de eerste vorst wordt de ondiepe grond hard en verhuizen de regenwormen – hun voornaamste voedselbron – naar diepere gronden. Hoewel ze periodes kennen van lange rust, houden mollen geen winterslaap, zelfs niet tijdens de koudste perioden.
In de omgeving van water kunnen mollenritten verward worden met de ritten van woelratten. Woelratten hebben echter onregelmatig gevormde aardhopen met een zijdelingse ingang en meestal ligt er plantaardig materiaal in de gangen.
|