Kunstbouwen voor roofdieren

Een manier om roofdieren een geschikt onderkomen te geven, is de aanleg van een kunstmatige schuilplaats. Veel roofdieren verstoppen zich graag onder hout, hooi of stro of tussen stenen of verschuilen zich in ondergrondse holen en gangen. Er bestaan verscheidene uitvoeringen van kunstmatige schuilplaatsen. We schetsen hier enkele principes.

Marterhopen

Het volstaat al om het hout voor de open haard in de tuin of het winterhooi van de schapen in de schuur zodanig te stapelen dat daartussen ruimtes ontstaan. Perfectioneren kan door op de bodem betonblokken of kleine boomstammen te leggen en hiermee gangen (G) en kamers (K) van verschillende grootte (maximum 40 cm doorsnede en 20-25 cm hoog) te bouwen die met elkaar in verbinding staan. Daar bovenop wordt dan het materiaal, bijvoorbeeld snoeihout, gestapeld. Als extraatje kan men de kamerbodem met turf bestrooien en enkele kamers luchtig met hooi opvullen. De bouwplaats moet zorgvuldig worden uitgekozen. Een droge plek is steeds noodzakelijk en de ingang bevindt zich bij voorkeur langs de zuidkant of aan een beschutte zijde. Om te voorkomen dat er water insijpelt kan een stuk plastic tussen het hout worden gelegd. Ter afronding kunnen bramen of andere dichte struiken rond de bouw worden geplant.

Kunstbouw - gangenstelsel onder hooimijt of houtstapel     Kunstbouw met folie onder takkenhoop
Een andere variant op dit thema bestaat uit een ophoging van boomstammen en dikke takken die tot één meter hoog worden gestapeld en waartussen voldoende kruipruimte wordt gelaten. Rondom worden zo dicht mogelijk kleine takken en twijgen gestoken, waarover vervolgens een dikke laag riet, hooi of gras wordt gelegd. Deze laag mag regelmatig worden vernieuwd of aangevuld.

Op onderstaande tekening worden enkele locaties aangeduid die geschikt zijn voor de aanleg van een marterhoop. De hoop moet aansluiten op een plaats die dekking geeft en waarlangs de hoop veilig kan worden bereikt. Kies daarom een, plek die aansluit op een ruigte, een rietkraag, een slootkant, een houtkant, een heg of een bosrand.

Kunstmatige schuilplaats voor marterachtigen - houtstapel     Kunstmatige schuilplaats voor marterachtigen - houtstapel - inplantingsplaatsen

Marterbuizen

Een materbuis bestaat uit één en bij voorkeur twee drainagebuizen (voor de veiligheid van het dier) met een doorsnede van 6 à 9 cm, die in een berm schuin buitenwaarts naar beneden lopend wordt ingegraven en naar een kamer van 40 cm doorsnede en 20 cm hoog leidt. De kamer kan je maken met betonplaten of een ander duurzaam materiaal. Indien de buis slechts een tijdelijke functie heeft kan ook hout worden gebruikt. De afmetingen kunnen ruimer worden genomen wanneer je ook grotere zoogdieren wil aantrekken (zie 'Kunstbouwen'). De kamer wordt met een plank of dakpannen afgedekt. Daar bovenop komt een stuk plastic en tenslotte een laag grond van tenminste 60 cm dik.

Marterbuis - doorsnede      Dubbele marterbuis - kamer

Bij het snoeien van bomen wordt het snoeihout veelal verbrand. Dit is doorgaans een overbodige maatregel. Veel beter is het om het snoei- of sprokkelhout op grote stapels te gooien of tot grote bussels samen te binden, op te stapelen en verder ongemoeid te laten. Hetzelfde kan worden gedaan met hooi, grove puin, boomstammen en wortelkluiten. Roofdieren gebruiken meerdere schuilplaatsen die ze soms onderling delen en die regelmatig worden opgezocht. Ze houden ervan zich op een veilige en rustige plaats terug te trekken wanneer ze hun jongen werpen. Ze stellen aan zo’n schuilplaats dan ook hogere eisen dan aan schuilplaatsen waarin ze zich terugtrekken als ze inactief zijn. Holten die zich vormen in bomen en wortelkluiten of verlaten holen in bermen en zandhopen, hebben naast hooimijten en houtstapels hun voorkeur. Schuilplaatsen verliezen hun aantrekkelijkheid wanneer ze niet of weinig beschut zijn gelegen. In veel gevallen is de beschutting te verbeteren door rondom lage struiken te planten.

Eenvoudige marterbuis - principeschets     Eenvoudige marterbuis

Kunstbouwen

Kunstbouwen zijn voornamelijk ontwikkeld voor de jacht op vossen, maar kunnen ook voor roofdierenbescherming worden ingezet. Dergelijke grote constructies zijn enkel te verantwoorden om roofdieren in een gebied te introduceren of specifieke soorten, zoals een das, aan te trekken naar gebieden waar goede burchtlocaties schaars zijn of ontbreken.

De complexere U-vormige kunstbouw, met twee uitgangen, bestaat uit twee lange betonbuizen van elk 8 tot 12 meter lengte en een binnendiameter van 20 cm. De buizen leiden naar een betonnen ketel van 80 cm tot maximaal 140 cm doorsnede en 60 cm hoog. Aan weerszijden van de ketel zitten twee gaten die iets groter zijn dan de buitendiameter van de betonbuizen (25 cm), zodat de buizen op de ketel kunnen worden aangesloten. De ketel wordt op een betonnen bodemplaat gezet van 4 betontegels van 50 X 50 cm. Vervolgens worden de betonbuizen in U-vormige sleuven gelegd waardoor ze afdraaien naar de ketel en aangesloten op de twee gaten aan weerszijden van de ketel. De buizen lopen naar buiten toe af om waterinstroming te voorkomen. De naden tussen de buizen worden met gaas met daar overheen landbouwplastic afgedicht. Alvorens het deksel op de ketel wordt gelegd, wordt wat zand of droge grond op de bodem van de ketel uitgestrooid. Op het gat aan de bovenzijde van de ketel (voor een eventuele controle) wordt een stoeptegel gelegd en afgedekt met landbouwplastic. Het geheel wordt tenslotte met een ruime hoeveelheid aarde van 60 cm dik toegedekt. De kunstbouw kan ook bovengronds worden aangelegd. Deze moet dan wel worden bedekt.

Naast de U-vormige kunstbouw bestaat er ook een Y-vormige variant. Ook zijn er kunstbouwen van kunststof te koop in Duitsland die je gemakkelijk kunt plaatsen en zonodig verplaatsen, omdat ze licht zijn en niet zo zwaar als beton. Het duurt minstens een half jaar alvorens een vos of das de bouw zal accepteren.

U-vormige kunstbouw vos/das - principe     U-vormige kunstbouw vos/das - bouwset

Martergreppels

Bestaande drooggevallen greppels, grachten, sloten en depressies kunnen als schuilplaats geschikt worden gemaakt door ze rondom te beplanten met dicht struikgewas. Bunzingen maken veel gebruik van droge en dichtbegroeide sloten. Het principe van de martergreppel is hierop gebaseerd. Op een geschikte plek wordt een 60-100 cm diepe en brede en tot 300 cm lange greppel uitgegraven. Langs één zijde (niet de regenkant - zie pijl) helt deze langzaam af (zie afbeelding onder links). Kan dat niet, bijvoorbeeld omdat je gebruik maakt van een bestaand reliëf, zorg er dan voor dat in de greppel geen water kan opstuwen (zie afbeelding onder rechts). Graaf hem daarom uit op een poreuze bodem of zorg voor een goede afwatering door in afhellende richting kleine geultjes uit te sparen. Rondom de greppel worden doornstruiken geplant, die naderhand de greppel overwoekeren. Nieuwe houtwallen kunnen op een gelijkaardige wijze worden aangelegd, waarbij een ondiepe greppel wordt voorzien in het midden van de wal.

Martergreppel - type halve greppel     Martergreppel - type volle greppel
Marterhoekjes

Dichtbegroeide overhoekjes en bosjes vormen eveneens een geliefkoosde plek voor de kleine marterachtigen. In een tekort kan worden voorzien door aanleg van kleine perceeltjes hakhout en struweel, waarin dode bomen, sprokkelhout, boomstronken  en –stobben worden achtergelaten. De perceeltjes hoeven niet groter te zijn dan een are, maar ze mogen niet verder uit elkaar liggen dan 500 meter, tenzij daartussen dekkinggevende vegetatie aanwezig is.

Marterhoekjes in en rondom een holle weg.

Marterhoekjes in en rondom een holle weg

Meer weten

X