De laatste jaren heeft de vossenpopulatie zich in Vlaanderen sterk uitgebreid. Als vossen overlast berokkenen, is de eerste reactie nog steeds al te vaak: verdelgen! Probleemdieren doden of verplaatsen is echter geen oplossing (en zelfs verboden). Hieronder vind je antwoorden op een aantal veelgestelde vragen en betere en meer structurele maatregelen om problemen op te lossen.
Na enkele decennia van afwezigheid kent de vos in Vlaanderen een ware comeback. Jarenlang kwam deze soort nauwelijks meer voor in onze contreien door de decennialange intensieve bestrijding en bejaging. Na de uitroeiing van hondsdolheid is deze vervolging afgenomen en is de vossenpopulatie weer toegenomen in het sterk verstedelijkte Vlaanderen. Het gaat dus om een natuurlijke uitbreiding en niet om het "uitzetten van gekweekte vossen door de groenen", een fabeltje dat al jarenlang meegaat. Vossen zijn dan ook nog eens cultuurvolgers, die zich hebben aangepast aan een leven dichtbij de mens. Zo leven er reeds vossen in het centrum van grote steden, waar ze de vuilbakken plunderen (maar honden of katten doen dit nog steeds veel meer!). Hierdoor komen deze prachtige dieren steeds vaker in conflict met de mens.
Aangezien vossen territoriaal zijn, kan je nooit spreken van een "vossenplaag". In één territorium leeft telkens maar één vossenfamilie. Als je meerdere vossen samen ziet, gaat het dus om verwante dieren, vaak jongen uit hetzelfde nest, eventueel in gezelschap van de moeder. Jongen die voldoende groot zijn, worden verdreven en moeten op zoek gaan naar een eigen territorium, waardoor het aantal vossen op eenzelfde locatie niet toeneemt. Wat wel tot iets hogere vossendichtheden kan leiden, is de aanwezigheid van veel voedsel (bv. gemakkelijke prooien zoals kippen in slecht beveiligde kippenhokken of fazanten die in het bos losgelaten worden...). Hierdoor vinden de vossen voldoende voedsel in een kleiner gebied, waardoor de territoria kleiner worden en er dus in tijden van overvloed iets meer vossenterritoria op eenzelfde oppervlakte kunnen zijn.
In de Vlaamse afschotstatistieken voor 2007 staan 9405 afgeschoten vossen vermeld, waarvan het grootste deel in Limburg geschoten werd, namelijk 2263 exemplaren (bron: INBO, Scheppers & Casaer 2008). Het INBO schat de najaarsdichtheid van vossen in Vlaanderen op gemiddeld twee per vierkante kilometer, wat betekent dat er zo'n 30.000 vossen in Vlaanderen zijn. Uit onderzoek van het INBO blijkt ook dat maar liefst 70 % van de vossen sterft voor ze één jaar oud zijn. Ouder dan twee jaar wordt slechts één op de tien vossen. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de vossendichtheid in Vlaanderen – in vergelijking met buurlanden – zeker niet als "ongewoon" of "abnormaal" dient beschouwd te worden en dat de aantallen sinds enkele jaren min of meer gelijk blijven.
Problemen met de vos treden meestal op als hij een kippenhok ontdekt. De vos is een opportunist. Wanneer hij de kans krijgt om gemakkelijke prooien als kippen of ander klein pluimvee te verschalken, zal hij dit zeker niet nalaten. Een vos in een kippenhok raakt zodanig opgewonden door de panikerende kippen die niet kunnen wegvluchten, dat hij meer kippen gaat doden dan hij eigenlijk kan opeten. Dit wordt "surplus-killing" genoemd. Door dit kenmerkende instinctief gedrag kan de schade die hij aanricht behoorlijk oplopen. Hij gaat meestal ook niet alle gedode dieren meenemen, maar een deel laten liggen of zelfs in een ondiep kuiltje begraven of verbergen onder wat strooisel, zodat hij deze voorraad later nog kan aanspreken.
De vos jaagt overwegend 's nachts. Bij incidenten overdag, waarbij ook vaak met de vinger wordt gewezen naar de vos, gaat het echter in de meeste gevallen om loslopende of verwilderde honden. In stedelijk gebied durven vossen ook al eens een vuilniszak te plunderen. Dit komt echter veel minder voor dan vuilniszakken die door honden of katten onder handen zijn genomen. Vossen kunnen het ganse jaar door op kippen jagen, maar dit gebeurt het vaakst als ze met jongen zitten (april-juni) of als het vriest of er sneeuw ligt (andere prooien zijn dan moeilijker te vangen).
De vraag “Wie heeft het gedaan?” is niet altijd eenvoudig te beantwoorden, want verschillende predators laten gelijkaardige sporen achter. Honden bijten hun prooien vaak in de rug. Pluimvee met afgebeten kop is meestal wel een goede aanwijzing dat een vos op bezoek is geweest, maar dit kan soms ook een hond, kat of steenmarter of zelfs de kleinere bunzing geweest zijn. Zowel vossen als steenmarters en bunzingen doen aan surplus-killing. Een vos gaat de prooi vaak in zijn geheel meenemen om op een veiligere plaats op te eten, waardoor je er niets meer van terugvindt. Bij het opeten van de prooi gaan zoogdieren eerst de grote vleugel- en staartpennen afbijten (in tegenstelling tot een roofvogel die de pennen uittrekt). Bij de vos blijven deze pennen soms in een bosje bijeenzitten, samengeplakt door speeksel. Zijn prooiresten zijn vaak flink stukgebeten. Een vos laat – in tegenstelling tot katten en marters – nooit nagelafdrukken op de prooi achter. Een steenmarter neemt zijn prooi vaak mee naar zijn schuilplaats, waar je dan prooiresten en uitwerpselen terugvindt. Ook wezel, hermelijn en bunzing slepen hun prooi soms mee naar hun hol, waar je in de buurt dan de prooiresten kan terugvinden. Bunzingen en katten eten – in tegenstelling tot de vos – borstbeen, schoudergordel en vleugels niet mee op. Katten eten de botten helemaal schoon. Hoe kleiner de predator, hoe moeilijker deze het gaat hebben om een grotere prooi mee te sleuren of door dezelfde opening te krijgen waarlangs hijzelf gekomen is.
Vind je de prooi of een deel ervan terug en zijn er bijtwonden te zien, dan kan je op basis van de afstand tussen de hoektanden iets zeggen over de dader. Bij een vos is deze afstand 20-24 mm, een pak groter dan bij andere soorten (bv. kat 14-17 mm, marter 10-13 mm, bunzing 10-11 mm, nerts 9-10 mm, hermelijn 5-7 mm, wezel 3-5 mm). Er kan echter wel wat variatie en dus overlap optreden afhankelijk van het geslacht, de leeftijd, het ras (bij katten en honden), of het om boven- (groter) of onderkaak (kleiner) gaat, …
Naast gevogelte eten allerlei zoogdieren ook graag eieren. De vos drukt het ei plat met zijn snuit en slobbert de inhoud op. Je vindt dan alleen stukjes schaal terug.
Marterachtigen zijn verzot op eieren, en als ze je kippenhok bezoeken zal het hen vaak eerder om de eieren dan om de kippen te doen zijn. Soms kan je op basis van de afstand tussen de hoektandperforaties zeggen wie de rover was.
Steenmarters en bunzingen kunnen eieren in hun geheel meenemen. Ze maken grote, vierkante openingen in de zijkant om de inhoud op te eten.
Wezels en hermelijnen maken een deukje in het ei om het in de bek te kunnen meenemen. Ze openen het dan ter hoogte van deze deuk. Kleinere eieren kunnen ze wel dragen en die openen ze dan opzij of aan een uiteinde zonder het ei verder stuk te maken.
Egels lusten ook eieren. Ze likken de inhoud op nadat ze de schaal helemaal hebben stukgebeten (de uiteinden blijven dan als ondiepe kapjes achter). Omdat ze de inhoud niet gauw genoeg kunnen oplikken, blijven behalve eierschalen ook vaak delen van dooier of eiwit over.
Komt de rover regelmatig terug, dan kan je op zoek gaan naar pootafdrukken of uitwerpselen om te bepalen welke soort het geweest is. Pootafdrukken kan je gemakkelijker zichtbaar maken door bv. maïzena te strooien. Maar ook hier moet je weer opletten: een dier dat van een kadaver komt eten, heeft dit niet noodzakelijk zelf gedood…
De enige volledig afdoende oplossing om schade door vossen te vermijden, is zorgen voor een voldoende afgesloten kippenhok. Dit bestaat uit een strak gespannen omheining met een maaswijdte van minder dan 7 cm, die bovenaan dicht of minstens twee meter hoog is. Als de ren niet dicht is bovenaan, moet de bovenkant van de omheining naar buiten omgeplooid zijn (onder een hoek van 30°) of eventueel een of enkele schrikdraden aan de buitenkant hebben (eentje op ruim 0,5 m hoog en een tweede helemaal bovenaan). De omheining dient ook een halve meter ingegraven te worden. Het plaatsen van een rij tegels (of betonplaten, draad die plat op de grond ligt, ...) rondom de omheining kan helpen. De vos mag dan wel sluw zijn, slim is hij niet. Hij zal altijd vlak tegen de omheining proberen te graven en het komt niet bij hem op om 20 cm verder naast de tegels te beginnen. Let ook op dat er geen zwakke punten zijn langs waar de vos kan overklimmen, zoals aanpalende constructies (tuinhuis, garage, ...), struiken of schuine hoekpalen ("stekers"). Dergelijke omheining is echter duur (zeker als het over een grote oppervlakte gaat) en vaak ook niet echt mooi, en zal dus hoofdzakelijk gebruikt worden om zeer unieke en/of dure dieren te beschermen die men van elk risico wil vrijwaren.
Wil je het risico alleen maar sterk reduceren, dan zijn er simpelere oplossingen voorhanden: de draad hoeft dan minder hoog zonder schuin gedeelte, maar best wel met enkele elektriciteitsdraden. Daar de vos overwegend 's nachts jaagt, is een klein veilig nachtgedeelte of een afgesloten nachthok de eenvoudigste, goedkoopste en beste oplossing om schade door vossen te voorkomen. Tegenwoordig bestaan er deurtjes die automatisch sluiten als het donker wordt. Onderaan bij "Biodiversiteit in jouw gemeente" en "Meer lezen?" vind je nog meer info om je kippenhok te beveiligen. Een hond in de tuin kan soms ook vossen afschrikken (maar honden kunnen ook kippen doodbijten!). Ook blijven vossen uit de buurt wanneer je geiten of schapen houdt binnen dezelfde omheining als je kippen, eenden of ganzen. Wat ook kan helpen, is zorgen dat je kippen ergens hoog kunnen slapen waar de vos niet bijkan. Een vos kan een klein beetje klimmen, maar geraakt meestal niet hoog in een boom. Je kan bv. ook een slaapstok voorzien op grotere hoogte (bv. 2,5 m boven de grond) die de kippen kunnen bereiken via een paar tussenstapjes (die te klein zijn voor een vos) op lagere hoogte. Zorg dan wel dat de kuikens in een afgesloten kooi verblijven totdat ze hoog genoeg kunnen vliegen.
Huisdieren bescherm je – net als je kippen – best door ze (vooral ’s nachts) in een goed afgesloten hok te zetten, met stevige gelaste draad (kippengaas is niet sterk genoeg), een stevige vloer en een veilig slot (een hendeltje dat de vos omhoog kan duwen is niet voldoende). Zorg er ook voor dat het hout niet rot is, want dan kan de vos een weg naar binnen krabben.
Op plaatsen met hoge dichtheden aan katten kan het heel af en toe gebeuren dat een vos een kat doodbijt, want dit is een concurrent die met dezelfde prooien kan gaan lopen. Maar meestal negeren beide predators elkaar, want ze zijn allebei goed in staat om zich tegen de ander te verdedigen. De kans dat je kat overreden wordt door een auto is veel groter. Je kat ’s nachts binnen houden helpt natuurlijk ook, en daarmee bescherm je ook allerlei andere dieren die ten prooi kunnen vallen aan je kat en zorg je ervoor dat je kat gezonder blijft en langer leeft. Voor je hond vormt een vos al helemaal geen gevaar, want vossen vermijden honden omdat de kans groot is dat de hond hem zal aanvallen en zelfs doodbijten.
Schade aan grotere dieren (zoals schapen en geiten) beperkt zich tot de pasgeboren lammetjes en de allereerste dagen na de geboorte, dus hou deze de eerste week op stal of binnen een veilige afsluiting of laat ze bewaken door een herders- of schaaphond. Volwassen, gezonde dieren hebben niets te vrezen van de vos. Tref je toch een vos aan bij het kadaver van zo'n dier, dan zal het eerst gedood geweest zijn door een andere predator (met grote kans een hond).
In héél uitzonderlijke gevallen wordt er een kind gebeten door een vos, maar de kans hierop is verwaarloosbaar tegenover de kans dat een kind gebeten wordt door een hond of kat.
Je kan je tuin op allerlei manieren minder aantrekkelijk maken voor vossen. Bv. door ervoor te zorgen dat er geen voedsel (bv. katteneten, vogeleten, …) ligt waar ze gemakkelijk bij geraken. Sommige meststoffen bevatten producten die gemaakt zijn van vis, beenderen of bloed, waardoor de vossen in je bloembed of gazon gaan graven op zoek naar onbestaande karkassen. Gebruik dus andere meststoffen. In sommige tuincentra kan je ook producten vinden die je in je tuin kan sproeien om de vossen af te schrikken en te vermijden dat ze graven of uitwerpselen in je tuin achterlaten. Holen in je gazon die telkens opnieuw opengegraven worden ondanks het gebruik van afweerstoffen, kan je dichtmaken en afsluiten met een stevig stuk ijzerdraad dat je vastzet met bv. tentharingen, zodat het gras kan teruggroeien en de (meestal jonge) vossen hun belangstelling voor het hol verliezen.
Heel af en toe kauwen (vooral jonge) vossen op de kabels van je auto (vooral de remkabels). Je kan hier ook afweerstoffen voor gebruiken, maar vraag voor je dit doet zeker na bij je garagist of deze stoffen zelf de kabels niet beschadigen. Kauwen op kabels zal echter vaker het werk zijn van de steenmarter. Op onze steenmarter-pagina vind je een aantal oplossingen hiervoor.
Stop je vuilzakken in een afgesloten container waarvan het deksel goed vastzit en er dus niet afvalt als container omgeduwd wordt (grote containers kunnen trouwens niet omgeduwd worden door vossen). Is dit niet mogelijk, zet je vuilnis dan pas ’s morgens buiten in plaats van de avond tevoren.
Het uitdunnen van de vossenpopulatie kan weliswaar de frequentie van vossenschade enigszins verminderen, maar zonder afdoende preventieve maatregelen blijft er nog steeds kans op schade bestaan. De vos verdelgen heeft zo misschien wel een tijdelijk effect, maar hierdoor komt er een geschikt territorium vrij. Naast het feit dat dit vroeg of laat vrijwel zeker door een ander exemplaar ingenomen wordt en je weer van voor af aan kan beginnen, verstoor je op deze manier de sociale structuur van de populatie.
Een bejaagde populatie heeft een lagere dichtheid, wat resulteert meer voedsel en vacante territoria. Hierdoor zal de overleving en voortplanting groter zijn dan bij een niet-bejaagde populatie die aan zijn maximale dichtheid zit. Zo kan je bij een bejaagde populatie uiteindelijk op een even grote vossendichtheid eindigen als bij een niet-bejaagde populatie, en had je dus evengoed niets kunnen doen. Er zijn zelfs negatieve gevolgen bij het bejagen van vossen, want door het vrijkomen van territoria ontstaat er een grotere mobiliteit binnen de populatie, waardoor met ziektes besmette vossen zich verder zullen verspreiden.
In Vlaanderen is door de eindeloze lintbebouwing en verspreide landelijke bewoning een scheiding tussen het leefgebied van vossen en mensen onmogelijk, tenzij mits totale uitroeiing. Nu hondsdolheid in Vlaanderen niet meer voorkomt, is alle vossen uitroeien echter al lang geen doelstelling meer. Dergelijke gedachte is niet meer van deze tijd, want de vos is een toppredator en heeft een belangrijke plaats in ons ecosysteem. Daarnaast zijn er nog andere dieren (zoals verwilderde huiskatten en honden) die een gemakkelijke prooi niet zullen versmaden, dus alle vossen uitroeien zal zeker niet alles oplossen. Vossen zijn daarenboven niet enkel mooie, maar ook nuttige dieren. Muizen, ratten en andere kleine knaagdieren staan veelvuldig op zijn menu, waardoor hij een grote hulp bij de landbouw vormt. Van de meer zeldzame soorten vogels en zoogdieren eet hij vooral de zieke en zwakkere dieren op en zorgt zo voor een versterking van de populaties.
Vaak worden vossen geassocieerd met ziektes en parasieten als hondsdolheid en vossenlintworm. Een vos met hondsdolheid verliest zijn schuwheid en wordt ook agressiever, waardoor hij vee en mensen kan besmetten. Door uitgebreide vaccinatiecampagnes (waarbij aas met vaccin werd gebruikt), vooral in de jaren ’80 en ’90 uitgevoerd in onze Ardennen en onze buurlanden, is België sinds 2001 volledig vrij van hondsdolheid verklaard. In Vlaanderen is hondsdolheid bij vossen overigens nooit een probleem geweest (met uitzondering destijds van Voeren, waar het nu uiteraard ook is opgelost). Recent werd er echter vlak over de grens met Duitsland en Frankrijk een verhoging van het aantal gevallen van hondsdolheid vastgesteld. Om België vrij van hondsdolheid te houden, zijn er waarschijnlijk langsheen de grenzen nog steeds vaccinatiecampagnes nodig. Recente informatie over hondsdolheid bij vossen in België vind je hier.
De vossenlintworm is een meer recent in de aandacht gekomen probleem. Via onderzoek van dode vossen en uitwerpselen blijkt deze lintworm in België vooral ten zuiden van Samber en Maas voor te komen, waar hij vermoedelijk ook altijd al aanwezig geweest is. Momenteel is deze lintworm nog maar enkele keren in Vlaanderen aangetroffen, maar aandacht blijft noodzakelijk. Als je gaat wandelen, eet dan geen vruchten die op minder dan 70 cm van de grond groeien of was ze voor ze op te eten. Ook rauwe groenten kan je best spoelen vooraleer je ze opeet. Zorg ook dat je hond nooit in een vossenburcht gaat neuzen, want als hij daarna met je kinderen speelt, kan hij ze zo besmetten met vossenlintwormeitjes die aan zijn vacht zijn blijven hangen. Raak ook nooit dode of levende vossen of hun uitwerpselen aan. Honden en katten kunnen ook met deze lintworm besmet geraken en nadien de mens besmetten. Vooral dieren die vaak in de natuur rondlopen en knaagdieren opeten vormen een verhoogd risico. Ontworm daarom je huisdieren regelmatig (driemaandelijks) en hou ze zoveel mogelijk binnen of aan de leiband. Meer informatie over de vossenlintworm vind je hier.
Vossen verdelgen om de verspreiding van dergelijke ziektes en parasieten tegen te gaan, is nu net wat je niet moet doen. Hierdoor komen geschikte territoria vrij en verhoogt de mobiliteit van de vossenpopulatie, waardoor besmette vossen zich juist verder over Vlaanderen kunnen verspreiden.
Vossen mogen enkel bejaagd worden tussen 1 oktober en 14 februari, met uitzondering van bestrijding om natuurbehoudredenen (bv. bescherming van weidevogels). In de onmiddellijke omgeving (50 m) van de burcht mogen vossen nooit bejaagd worden. De jachtopeningstijden voor de periode 2008-2013 vind je hier.
Ondanks dit worden er in Vlaanderen, naast de officieel door de Wildbeheereenheden gerapporteerde aantallen, vermoedelijk jaarlijks nog honderden dieren extra, buiten de jachtgebieden, gedood. Ook vinden we elk jaar in de kranten meerdere artikels terug over illegale praktijken zoals het uitgraven van burchten, het plaatsen van stroppen en het vergiftigen van vossen.
Hoeveel vossen als slachtoffer in het verkeer vallen, blijft een raadsel. Het kan om behoorlijke aantallen gaan, want vossen zijn zeer mobiel. Jonge vossen leiden een zwervend bestaan op zoek naar een territorium. Daarnaast is de vos door zijn foerageergedrag, waarbij hij in zijn territorium rondtrekt op zoek naar aas (verkeersslachtoffers) en prooien, ook erg kwetsbaar voor het wegverkeer. Het gebeurt regelmatig dat je een aangereden vos ziet liggen langs de weg. Voor meer informatie over wat je met dergelijke vondsten doet, kan je terecht op deze pagina. Volgens het project Dieren onder de Wielen staat de vos alvast in de top 5 van de verkeersslachtoffers.
Met het project "biodiversiteit in jouw gemeente" wil Natuurpunt Studie lokale vrijwilligersstructuren aanzetten om plaatselijk rond het behoud van biodiversiteit te werken. Er werd voor 14 soortbeschermingsmodules gekozen, waaronder ook één rond de vos- en steenmarterproblematiek.
Verschillende individuen en werkgroepen zijn reeds concreet actief rond dit thema. Het doel van het project is de reeds bestaande praktijkervaring aanwenden om andere groepen op weg te helpen en aan te zetten om zelf rond dit thema te gaan werken. Concrete problemen die aan bod kunnen komen, zijn bv. specifieke acties om een kippenhok af te sluiten en de vos buiten te houden. Ook ervaringen over hoe er rond de problematiek het best gesensibiliseerd wordt, kunnen nuttig zijn. Op de startpagina van dit biodiversiteitsproject vind je onder de verschillende modules een overzicht van de verschillende acties.
Er werd in het kader van dit project ook een folder "Vos of steenmarter op bezoek?" en technische fiche gemaakt over de vos- en steenmarterproblematiek.
Door deze informatie op onze website te zetten, hopen we de vele vragen die we krijgen over vossen en de problemen die ze veroorzaken, te beantwoorden. Je mag ons steeds laten weten wat de afloop was: is het probleem opgelost geraakt of niet? Ook zijn we geïnteresseerd in de juiste plaats van de waarneming. Je kan die doorgeven via deze pagina. Deze gegevens gebruiken we dan om het verspreidingskaartje aan te vullen. Als je niet zeker bent van de veroorzaker van het probleem (was het wel een vos? of misschien een steenmarter?), kan je ook meer details doorgeven (bv. hoe waren de prooien aangebeten, hoe zagen de uitwerpselen eruit, ...). Zo kunnen we beter beoordelen om welke diersoort het gaat.

Laatste aanpassing: 10-07-2009 14:49:03
|